Technologie zit steeds dichter op de huid

De content is geschreven door externe partij en op een eerder moment gepubliceerd op de website van het Reformatorisch Dagblad

Een armband die onze stappen telt en tegelijk onze bloeddruk meet. Een bril waarmee we fotos op onze Facebookpagina plaatsen. Een rookmelder die onze thermostaat vertelt wanneer we waar in huis zijn. Technologie dringt zich van alle kanten aan ons op, met prachtige beloftes.

Pieter Ariese

Geeft deze steeds intiemere technologie ons als gebruikers meer controle over onze levens, of raken we die controle juist kwijt? Worden we echt gelukkig van apparaten die ons weliswaar veel goeds beloven, maar ons tegelijkertijd 24/7 in de gaten houden en al onze gedragingen registreren?

De ontwikkeling van intieme techniek bevindt zich in een stroomversnelling. Analisten verwachten dat de markt de komende jaren wordt overspoeld met allerlei persoonlijke toepassingen. Op deze pagina’s een beknopt overzicht van de belangrijkste trends van nu en de nabije toekomst.

>>rd.nl/mensenmachine voor video’s en meer achtergronden.

Een lijf vol ”wearables”

Technologie komt ons steeds dichter op het lijf te zitten. Letterlijk. Moeten we de smartphone nog uit onze zak halen voor gebruik, de nieuwe lichting gadgets dragen we op ons lichaam. Inmiddels zijn er bijna 150 van dergelijke ”wearables” op de markt, met Google Glass als een van de bekendste voorbeelden.

Deze slimme bril is voorzien van techniek waarmee de drager via spraakopdrachten allerlei dingen kan doen: foto’s en filmpjes maken, tekstberichten versturen, posten op sociale media. Maar de bril wijst ook hulpverleners de snelste weg naar een ongeval en assisteert chirurgen tijdens complexe operaties.

Fabrikanten storten zich intussen en masse op de ontwikkeling van smartwatches (slimme horloges) en armbandjes met allerlei toepassingen. De smartwatch is vooralsnog niet meer dan een verlengstuk van de smartphone. Dat lijkt onvoldoende om consumenten op grote schaal tot aankoop te verleiden.

Datzelfde geldt voor armbanden zoals de Fitbit en de Nike Fuelband. Die registreren lichaamsactiviteiten

–hartslag, bloeddruk of het aantal stappen– en zijn daarmee vooral gericht op gezondheidsfreaks die hun fysieke gesteldheid willen monitoren.

De variatie in ”wearables” is nu al schier eindeloos. Er zijn T-shirts die lichaamsfuncties meten tijdens het sporten. Er zijn sensoren die, op de schouder geplakt, meten of de drager wel de juiste houding aanneemt. Er zijn ringen die gebarentaal omzetten in spraak en ringen die het aloude wachtwoord overbodig maken. Voor schijnbaar elk lichaamsdeel is of komt er technologie op de markt die de drager helpt zijn gezondheid te meten, omgevingssignalen op te vangen of informatie te verwerken en te delen.

Tatoeage als wachtwoord

Technologie stopt niet aan de buitenkant van ons lichaam. Het Amerikaanse Proteus verkoopt een sensor die, eenmaal ingeslikt, wordt geactiveerd door lichaamssappen. De sensor meet zaken zoals hartslag, lichaamsactiviteit, rust en controleert het medicijngebruik. Al die gegevens zijn via de smartphone inzichtelijk voor gebruiker én arts. De laatste kan op basis van de data waar nodig het gedrag van de patiënt bijsturen  of het medicijngebruik aanpassen.

Soortgelijke techniek wordt inmiddels ook op andere terreinen toegepast. Zo werkt Motorola aan een pil die het wachtwoord vervangt, zodat gebruikers voortaan door aanraking toegang krijgen tot hun smartphone, een computernetwerk of beveiligde ruimtes. Datzelfde Motorola ziet ook wel iets in een elektronische tatoeage als unieke identificatiecode.

Er is een groep mensen die al volop met dit soort toepassingen experimenteert. Deze zogenaamde biohackers implanteren allerlei materialen in hun lichaam, waarmee ze proberen nieuwe zintuigen te ontwikkelen. Metalen schijfjes in vingertoppen, bijvoorbeeld, waarmee elektromagnetische velden ineens voelbaar worden.

Dergelijk geëxperimenteer staat mijlenver van de doorsneegebruiker af, maar wat als de toepassing van onderhuidse technologie wel nuttige informatie oplevert? Zo zijn er al implanteerbare chips die lichaamsfuncties meten en daarmee kunnen voorspellen of iemand een griepje onder de leden heeft.

Internet der dingen drijft op data

”The internet of things”, ofwel het internet der dingen, is bezig aan een machtig snelle opmars. Grote kans dat uw woning al is uitgerust met een slimme thermostaat die via uw smartphone is te bedienen. Deze koppeling van apparaten via het web noemen we the internet of things.

Veel van de apparaten, zoals de genoemde thermostaat of de koelkast die een sms stuurt wanneer de melk op is, ogen tamelijk onschuldig en maken het leven een stuk aangenamer.

Dat ook de industrie brood ziet in the internet of things bewijst de recente overname van Nest door Google. Nest ontwikkelde een slimme thermostaat en dito rookmelder. Hun gelikte, Appleachtige design oogst bewondering.

De rookmelder van Nest waarschuwt niet alleen bij rookontwikkeling, maar registreert ook de bewegingen van mensen in huis. Daarmee bepaalt de thermostaat van Nest vervolgens welke ruimte verwarmd moet worden. Dat Google geïnteresseerd is in dergelijke gegevens over het gedrag van mensen binnenshuis is geen verrassing, maar geeft wel te denken.

The internet of things kan niet optimaal functioneren zonder een grote hoeveelheid data over de mensen die deze toepassingen gebruiken. Dat betekent dat we informatie moeten prijsgeven in ruil voor meer gemak.

Meetbaar is maakbaar

Meten is weten, en dankzij allerlei digitale toepassingen is dat makkelijker dan ooit. Het leidt zelfs tot een complete beweging: ”quantified self”. Dat staat voor de integratie van technologie op alle terreinen van het dagelijks leven, met als belangrijkste doel het verzamelen van data. Met die gegevens moet het uiteindelijk mogelijk zijn om als mens beter te functioneren.

We zagen het al bij de ”wearables”: arm- banden die allerlei lichaamsfuncties registreren, zoals bloeddruk,

hartslag, calorieverbruik of aantal stappen. ”Quantified self” draait hoofdzakelijk om dergelijke informatie. Hoelang we slapen, hoe diep we slapen, hoeveel we bewegen, hoe onze lichaamshouding is, wat we eten en drinken en wanneer we dat doen.

Via tal van apps kunnen we deze gegevens met elkaar combineren en analyseren. Zo ontstaat er een steeds completer beeld van hoe we functioneren en waar de hapers zitten. Is een arts bij lage bloeddruk nu wellicht nog snel geneigd medicijnen voor te schrijven, het inzicht in deze gegevens brengt hem wellicht tot een andere conclusie en een goedkopere oplossing. Of misschien passen we zelf onze levensstijl aan, en hóéven we niet eens een dokter te consulteren.

Uit: Reformatorisch Dagblad, 16-04-2014, pag. 4 (Informatietechnologie)

Back to Top