Overspannen geloof in computer

De content is geschreven door externe partij en op een eerder moment gepubliceerd op de website van het Reformatorisch Dagblad

Geen wetenschappelijk bewijs dat menselijk denken overdraagbaar is

Er bestaat geen enkel wetenschappelijk bewijs dat menselijk denken geheel overdraagbaar is op computers, betoogt prof. J. H. van Bemmel. Hij reageert op de oratie “Computer wordt metgezel” van prof. H. J. van den Herik en prof. E. O. Postma (RD van 27 maart).

Prof. J.H. van Bemmel

Volgens de evolutietheorie waren de juiste randvoorwaarden en veel tijd voldoende om menselijke intelligentie te laten ontstaan. De ontwikkeling ging vanzelf en een slim ontwerp was overbodig. In onze tijd kan de computer helpen bij het ontstaan van nog hogere intelligentie dan de menselijke. Ook dat is een kwestie van tijd, slechts enkele honderden jaren zijn voldoende.

Daarover ging het in de inaugurele rede van Jaap van den Herik en Eric Postma aan de Universiteit van Tilburg. Hun vakgebied staat bekend als kunstmatige intelligentie (“artificial intelligence”, AI) en begon halverwege de vorige eeuw.

In de AI stuiten we op het onderscheid tussen menselijke intelligentie en de formele werkwijze van de computer. Achter dit alles ligt de kernvraag of alle menselijk denken in beginsel overdraagbaar is op computers. De discussie daarover is heftig en nog lang niet afgelopen. Op de achtergrond spelen zeer uiteenlopende mensvisies en overspannen verwachtingen mee.

De vraag is of de voorspellingen van Van den Herik en Postma deugen. Ik meen van niet. Ik wil dat op wetenschappelijke gronden onderbouwen, zonder godsdienstige argumenten te gebruiken.

In de AI worden computers gebruikt om zowel inzicht te krijgen in menselijke intelligentie als om systemen te bouwen die intelligent gedrag vertonen. Denk daarbij aan schaakcomputers, expertsystemen, computergames, robots of wagentjes die planeten als Mars zelfstandig kunnen verkennen.

Onsterfelijk

Ideeën over intelligente machines vormden zich al vroeg, tegelijk met de eerste computers. John von Neumann bedacht het moderne programmeren, waarin menselijke denkstappen formeel worden vastgelegd in algoritmen, in software. Alle computers werken nog steeds volgens dit principe.

Maar als menselijk denken in software is vast te leggen, zo was zijn redenering, waarom zou dan op den duur niet het geheel van de menselijke intelligentie formaliseerbaar zijn? Daarover wordt zeer verschillend gedacht. Er zijn ruwweg twee denkrichtingen te onder-scheiden: de sterke en de zwakke AI.

Raymond Kurzweil, geciteerd in de oratie van Van den Herik en Postma, meent dat de computer op den duur eigenschappen zal gaan vertonen als muzikaliteit, kunstzinnigheid en creativiteit, emotie en fysieke bewegingsvrijheid. Hij stelt dat er rond 2030 een met mensen vergelijkbare intelligentie zal zijn, geïmplementeerd op een computer. Van den Herik en Postma zijn wat voorzichtiger en houden het op 500 jaar.

Sommige aanhangers van de sterke AI trekken de computermetafoor nog verder door, in de mening dat ons

brein zelf een computer is, die wij alleen nog niet helemaal begrijpen. Men meent dat computers niet alleen intelligentie zullen gaan bezitten, maar uiteindelijk ook bewustzijn zullen krijgen. De stap naar geloven door computers, waarover Van den Herik en Postma spreken, is dan klein.

Als tussenstap geloven adepten van de sterke AI dat de inhoud van iemands brein binnen enkele decennia zal kunnen worden gedownload op een computer. De desbetreffende persoon kan op deze manier worden gere-creëerd. Zo zullen onsterfelijke virtuele mensen (“avatars”) ontstaan die over hetzelfde geheugen en dezelfde herinneringen beschikken als degene van wie de herseninhoud in de computer werd getransplanteerd. Het sterfelijke lichaam is dan niet meer nodig.

Net zoals het leven ‘vanzelf’ ontstaan zou zijn uit interacties tussen biomoleculen, zo zou ook een computer ‘vanzelf’ intelligent gedrag gaan vertonen en zichzelf bewust worden. Er is echter zelfs niet de geringste wetenschappelijke aanwijzing om te kunnen denken dat dit ooit werkelijkheid wordt. Het is naar mijn overtuiging pure sciencefiction.

Dualisme

De discussie over computer¡intelligentie en menselijk denken wordt ook gevoerd onder cognitief  psychologen en neurowetenschappers. Verschillende van deze wetenschappers betogen dat lichaam en ziel een onlosmakelijk en geïntegreerd geheel vormen. In hun visie is er slechts één centrale substantie, de ziel, waarvan het lichaam volledig afhankelijk is en waarbuiten het niet kan bestaan. Zij wijzen het dualisme van Descartes (ziel en lichaam als gescheiden substanties) volstrekt af.

Impliciet staan aanhangers van de sterke AI als Van den Herik en Postma dit dualisme wél voor, zij het in bijzondere vorm, omdat intelligentie naar hun inzicht enerzijds onlos¡makelijk verbonden is met het fysische substraat (de hersenen), maar anderzijds in principe overdraagbaar is van het ene soort substraat naar het andere (de computer).

Velen die de zwakke AI aanhangen, willen zich niet langer met het vakgebied AI vereenzelvigen, maar blijven wel gebruikmaken van ontwikkelde methoden, van nut voor vele toepassingen. Ik reken mijzelf daaronder. Veel methoden zijn zeer succesvol gebleken, ook op biomedisch gebied, maar hebben nauwelijks of geen relatie met de genoemde ideeën en speculaties van de sterke AI. Voor elk van de succesvolle AI-toepassingen geldt dat het gaat om geformaliseerd menselijk denken, met geldingskracht voor slechts een beperkt deel van de werkelijkheid. Wij hebben geen idee waar onze intelligentie zetelt, zo daar al een locatie voor aan te wijzen is.

Als het gaat om het menselijk bewustzijn wordt het nog moeilijker. De aanhangers van de sterke AI zien bewustzijn als niet meer dan een gevolg van de evolutie en geheel te verklaren vanuit biochemische processen. Hun vraag is of er wel zoiets bestaat als “bewustzijn”. Datzelfde menen ook veel neurowetenschappers. In hun visie bestaat er ook geen vrije wil, omdat alle fysische processen zijn gedetermineerd.

Principiële keuze

We kunnen vaststellen dat de sterke AI rust op vooronderstellingen waarin intelligentie en bewustzijn   worden gereduceerd tot algoritmen en systemen. In het zwakke-AI-onderzoek gaat men niet verder dan het met een computer modelleren van gedrag, zoals in robots. Hoe complex ook, alle operaties zijn strikt geformaliseerd en voorgeprogrammeerd. Op de achtergrond speelt een principiële keuze mee: voor of tegen een materiële en deterministische opvatting van het leven.

Het wetenschappelijk onderzoek van de laatste decennia, waarbij men is afgedaald naar de details van de

moleculaire biologie en de biochemie, laat zien hoe uiterst gecompliceerd biotische processen zijn. Dit geldt voor hersenwerking, intelligentie en bewustzijn, maar ook voor de fijngeregelde processen in de cel en de celdeling. Alleen al om die reden kan de realiteitswaarde van het idee dat de mens in staat zal zijn de richting van de evolutie te bepalen, laat staan te versnellen, sterk worden betwijfeld.

Het materialisme gelooft niet dat er zoiets bestaat als een ziel of geest. Er is alleen maar materie. Dat een computer zo zou kunnen worden gemodelleerd dat daarin alle dynamische functies van het menselijk brein kunnen worden geformaliseerd, vergt een geloof dat het mijne ver overstijgt. Wetenschappelijk is hiervoor ook niet maar de geringste aanwijzing voorhanden.

Wat denken, herinneren, herkennen en beslissen, laat staan bewustzijn, inhouden is een groot geheim. Je kunt zelfs de vraag stellen of het brein ooit in staat zal zijn zichzelf te bevatten.

De kernvragen blijven geheel onopgelost: wat Ýs eigenlijk intelligentie, wat Ýs bewustzijn, wat Ýs leven? Niemand begrijpt hoe materie ‘vanzelf’ semantische informatie zou kunnen voortbrengen in de vorm van DNA, of een structuur kan ‘bedenken’ zoals we die aantreffen in de levende cel, laat staan een orgaan zou kunnen laten groeien waardoor ons gehele organisme wordt bestuurd, het menselijk brein.

Uniek

Wetenschappelijk kunnen wij gevoegelijk concluderen dat de mens uniek is te midden van vele miljoenen soorten. De mens is als enig wezen in staat om over zichzelf en de wereld waarin hij leeft na te denken. Hij heeft een hoge mate van bewustzijn en is begiftigd met verstandelijke vermogens. Het moge duidelijk zijn dat ik mij in het geheel niet kan vinden in de speculaties van de sterke AI. Het veld zelf blijkt hopeloos verdeeld en de grondslagen drijven op een drassig moeras.

De auteur is emeritus hoogleraar medische informatica en oud-rector magnificus van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Back to Top